Te hoge of te lage bandenspanning: wat zijn de gevolgen?
Elke autoband verliest langzaam lucht. Dat gebeurt zo geleidelijk dat u er niets van merkt: niet aan het stuur, niet aan het zicht op de band. Toch rijdt een groot deel van de auto's in Nederland rond met een spanning die te ver van de voorgeschreven waarde af ligt. Hieronder leest u wat er precies gebeurt bij een te lage en bij een te hoge bandenspanning, hoe u het herkent en wat u eraan doet.
Wat is een te lage bandenspanning?
Uw bandenspanning is te laag zodra de druk onder de waarde ligt die de fabrikant voor uw auto voorschrijft. Er bestaat geen algemene ondergrens die voor elke auto geldt: de juiste waarde verschilt per merk, model, bandenmaat en zelfs tussen de voor- en achteras.
Een afwijking van 0,2 bar is met een meter al goed zichtbaar, maar merkt u nog niet. Vanaf ongeveer 0,5 bar onder de voorgeschreven waarde gaat de auto anders sturen en neemt de slijtage duidelijk toe.
Dat banden leeglopen is normaal en heeft niets met een lek te maken. Reken op ongeveer 0,1 bar verlies per maand, ook als de auto grotendeels stilstaat. Daarbovenop zakt de spanning met ongeveer 0,1 bar per 10 °C dat het kouder wordt — in het najaar staan veel auto's daardoor ineens op alle vier de wielen te zacht.
Wat gebeurt er bij een te lage bandenspanning?
Bij te weinig druk zakt de band in het midden door. Het loopvlak raakt de weg dan vooral via de buitenranden, en het contactvlak wordt breder in plaats van smaller. Dat heeft vijf gevolgen.
- Versnelde slijtage aan de buitenranden. De schouders van de band dragen het gewicht dat eigenlijk over het hele loopvlak verdeeld hoort te zijn. U ziet dit als twee afgesleten randen met een dieper profiel in het midden. De band is daardoor eerder aan vervanging toe.
- Meer kans op een klapband. De zijwand vervormt bij elke wielomwenteling sterker dan bedoeld. Die vervorming wordt omgezet in warmte, en bij hoge snelheid of een zwaar beladen auto kan het rubber daardoor van de karkaslagen loslaten. Een lekke band is na accuproblemen het meest voorkomende pechgeval, en een structureel te lage spanning is een van de hoofdoorzaken.
- Langere remweg en minder grip. Omdat het midden van het loopvlak nauwelijks nog meedoet, kan de band minder kracht overbrengen. De auto reageert vager op stuurcorrecties en de remweg wordt langer — het sterkst op nat wegdek.
- Hoger brandstofverbruik. Een bredere, slappere band ondervindt meer rolweerstand. De motor moet harder werken voor dezelfde snelheid. Over een jaar loopt dat op tot een bedrag dat u niet terugziet in ruil voor iets.
- Meer kans op aquaplaning. Het ingezakte midden van het loopvlak kan water minder goed afvoeren. Juist het deel van de band dat daarvoor ontworpen is, ligt niet meer goed op de weg.
Wat is een te hoge bandenspanning?
Van een te hoge bandenspanning is sprake zodra de druk boven de voorgeschreven waarde uitkomt. Let op één veelgemaakte denkfout: bij een volle auto, een aanhanger of een caravan schrijft de fabrikant juist een hogere waarde voor. Dat is geen te hoge spanning — dat is de juiste spanning voor die belading. De sticker in het portier vermeldt daarom meestal twee kolommen.
Te hoog wordt het pas als u boven de waarde voor uw situatie gaat zitten, bijvoorbeeld door "voor de zekerheid" een halve bar extra op te pompen.
Wat gebeurt er bij een te hoge bandenspanning?
Bij te veel druk wordt de band boller. Het contactvlak versmalt tot een strook in het midden van het loopvlak.
- Versnelde slijtage in het midden van het loopvlak. Dit is het herkenbare beeld van een overpompte band: een uitgesleten baan door het hart van de band, terwijl de randen er nog goed uitzien. Ziet u juist slijtage aan de binnen- of buitenzijde van de band, dan wijst dat meestal niet op de spanning maar op een verkeerde uitlijning.
- Minder grip en een langere remweg. Een smaller contactvlak betekent minder rubber op de weg. Op nat wegdek is het verschil het grootst.
- Minder comfort. De band veert minder mee. Oneffenheden, drempels en wegnaden komen harder door in het interieur.
- Kwetsbaarder voor stootschade. Een strak opgepompte band kan minder vervormen. Bij een diepe kuil of een stoeprand is de kans op een beschadigd karkas of een kromme velg groter.
Mag u rijden met een te lage bandenspanning?
Voor een korte rit naar het dichtstbijzijnde tankstation kunt u rustig doorrijden, op lage snelheid en zonder abrupt te sturen of te remmen. Wat u niet moet doen, is er weken mee doorrijden omdat het "nog wel gaat".
Staat de band duidelijk zichtbaar zacht of ligt de druk onder ongeveer 1,0 bar, rijd dan niet verder. Het risico op een klapband en op schade aan de velg is dan reëel. Gebruik het reservewiel of een bandenreparatieset.
Voor de bandenspanning zelf bestaat geen vaste wettelijke ondergrens bij de APK. Wel geldt sinds 20 mei 2018 dat een niet-werkend bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) een afkeurpunt is voor auto's met een datum eerste toelating vanaf 1 januari 2018. Voor oudere auto's is het een reparatieadviespunt.
Bandenspanning te laag: wat moet u doen?
- Zoek eerst de juiste waarde op. Die staat op de sticker in de stijl van het bestuurdersportier en in het instructieboekje. U kunt de spanning ook op kenteken opzoeken.
- Meet bij koude banden. Dat betekent: niet meer dan ongeveer drie kilometer gereden, of minstens een uur stilgestaan. Door te rijden warmen de banden op en meet u een te hoge waarde.
- Pomp alle vier de banden op, niet alleen de band die opvalt. Ze lopen alle vier leeg.
- Vergeet het reservewiel niet. Dat controleert vrijwel niemand, en juist daar heeft u hem nodig.
- Kijk naar de belading. Rijdt u met een volle auto of een aanhanger, gebruik dan de waarde voor volledige belading.
- Reset zo nodig het bandenspanningscontrolesysteem. Veel auto's hebben na het oppompen een handmatige reset nodig voordat het lampje uitgaat.
Controleer daarna maandelijks, en in elk geval voor elke lange rit. Een bandenspanningsmeter of pomp voor thuis maakt dat een kwestie van twee minuten.
Het bandenspanningslampje brandt — wat betekent dat?
Het lampje reageert op twee verschillende situaties, en het verschil zit in hoe het brandt:
- Het lampje brandt continu. Er is te weinig druk in één of meer banden. Controleer en pomp op.
- Het lampje knippert ongeveer een minuut na het starten en blijft daarna branden. Dit wijst meestal niet op de spanning, maar op een storing in het systeem zelf: een defecte of lege sensor, of een sensor die niet is ingeleerd na het wisselen van banden.
Die tweede situatie lost u niet op met een bandenpomp. Meer hierover leest u op de TPMS Helpdesk.
Welke bandenspanning is juist voor uw auto?
Er bestaat geen formule waarmee u de juiste spanning zelf berekent. De fabrikant bepaalt de waarde op basis van tests met dat specifieke voertuig, de wielophanging en de goedgekeurde bandenmaten. Opzoeken is dus de enige juiste route.
De drie betrouwbare bronnen zijn de sticker in het portier, het instructieboekje en een database op basis van uw kenteken. Heeft u andere bandenmaten laten monteren dan de originele, dan gaan de sticker en het instructieboekje voor.
Een uitgebreide uitleg vindt u op bandenspanning op kenteken opzoeken.
Nooit meer ongemerkt verkeerd rijden
Het lastige aan bandenspanning is niet dat het ingewikkeld is, maar dat u niet merkt wanneer het misgaat. Een bandenspanningscontrolesysteem lost precies dat op: het meet continu de druk in elke band en waarschuwt u zodra die te ver zakt.
Sinds november 2014 is TPMS verplicht op alle nieuw verkochte personenauto's in Europa. Werkt uw systeem niet meer — bijvoorbeeld door een lege sensorbatterij na zes tot tien jaar — dan valt die waarschuwing weg en komt u er pas bij de APK achter.
Weet u niet welke sensor bij uw auto hoort? Doe de kentekencheck en u ziet direct welke TPMS sensor geschikt is.
Veelgestelde vragen
Wat is het gevolg van een te lage bandenspanning?
Versnelde slijtage aan de buitenranden van de band, een langere remweg, meer brandstofverbruik, een grotere kans op aquaplaning en een verhoogd risico op een klapband door oververhitting van de zijwand.
Wat is het gevolg van een te hoge bandenspanning?
Versnelde slijtage in het midden van het loopvlak, minder grip door een smaller contactvlak, minder rijcomfort en een grotere kans op schade bij kuilen en stoepranden.
Hoeveel bar mag de bandenspanning afwijken?
Houd maximaal 0,1 bar afwijking van de voorgeschreven waarde aan. Een klein overschot is minder schadelijk dan een tekort: veel fabrikanten staan 0,2 bar boven de waarde toe, maar nooit eronder.
Hoe vaak moet ik de bandenspanning controleren?
Minstens één keer per maand en voor elke lange rit. Banden verliezen ook zonder lek langzaam lucht.
Kan ik de bandenspanning meten als de banden warm zijn?
Dat kan, maar u meet dan een te hoge waarde. Meet bij voorkeur koud. Moet het toch warm, trek dan ongeveer 0,3 bar van de meting af om een indicatie te krijgen.
Gaat het bandenspanningslampje vanzelf uit na het oppompen?
Bij sommige auto's wel, na enkele kilometers rijden. Veel modellen vragen om een handmatige reset via het instrumentenpaneel of het infotainmentscherm.